dinsdag 25 maart 2014

Library.uu.nl

Library.uu.nl



In het midden van de groep universiteitsgebouwen in de Uithof staat een enorme zwarte kubus. Daarin bevind zich een van de vestigingen van de universiteitsbibliotheek. Toen we in Zeist kwamen wonen dacht ik meteen: ik zal daar geregeld heen fietsen om er een paar uurtjes door te brengen. Dat is wel eens gebeurd, maar het bleek dat de boeken en tijdschriften in de leeszaal van het Medisch Centrum me sterker aantrokken, zodat ik vaker in de vertrouwde omgeving van het UMC te vinden was.
 
Onlangs is daar een nieuwe bibliotheek-ervaring bij gekomen. Mijn vrouw en ik zijn sponsors van het Universiteitsfonds, en vooral van het project om goede studenten uit het buitenland de gelegenheid te geven hier een jaar te studeren. Het is een logische tegenprestatie omdat wij in het buitenland vaak te gast zijn geweest. Ieder jaar is er dan een partij met die foreign students, waarbij ook de sponsors worden uitgenodigd. Vorig jaar hebben hebben we laten weten wegens onze hoge leeftijd en ernstige ouderdoms-slechthorendheid niet op de uitnodiging in te gaan. Tot onze verrassing heeft men het niet daarbij gelaten, maar hebben medewerkers ons een excursie in Utrecht aangeboden  met een bezichtiging van de geheel vernieuwde bibliotheek aan de Drift en de Wittevrouwenstraat. Wij werden van huis opgehaald, onze chauffeur en gids daarbij was de oud-president van het universiteitsbestuur mevrouw Yvonne de Rooy. Wij hebben dat een grote eer gevonden.
Als student heb ik in Utrecht op kamers gewoond aan de Plompetorengracht 24, dat is het verlengde van de Drift. Ik herinnerde me het oude collegezaaltje van prof Buytendijk en de oude boekenzaaltjes uit die tijd, maar wat ik nu te zien kreeg was een complete verandering van een lelijk eendje in een prachtige zwaan. Brede en hoge gangen, helder verlicht, gangen en zalen lopen in elkaar over: men zou er weer een koning met zijn hofhouding kunnen huisvesten (het gebouw is in de Franse tijd het paleis van koning Lodewijk Napoleon geweest).  Eén van de medewerkers heeft  ons verteld over de  inrichting en het gebruik van de ruimten. Grote aantallen studenten kunnen een plaats vinden achter een computer. Er zijn kamers beschikbaar tot ‘s avonds laat voor studiegroepen en voor docenten om tentamens af te nemen.
Ter afsluiting van ons bezoek hebben we met  onze gastvrouwen van het universiteitsfonds een warme lunch genoten in de Faculty-club.  

 

zondag 16 maart 2014

De biologie van het leren


Omdat een groot deel van stem- en spraakafwijkingen is aangeleerd en daarom ook vaak kan worden afgeleerd, dient men leerprocessen goed te begrijpen om ermee te kunnen werken. Na 1970 kon men voortborduren op de theorie van de Britse bioloog Pringle. Alle levende systemen oscilleren, zoekend naar evenwcht, Deze niet-lineair oscillerende populaties koppelen, als de oscillatie-frequenties bij elkaar in de buurt komen, en vormen dan samen een nieuw systeem op een hoger organisatie-niveau. Brian Goodwin heeft in experimenteel onderzoek het verband aangetoond tussen leer- ontwikkelings- en groeiprocessen. Niels Kaj Jerne heeft het verwerven van immuniteit als en leerproces beschreven waarin variatie en selectie op moleculair niveau de hoofdrol spelen, een versnelde evolutie dus. Toen ik een keer in Basel was heb ik met Jerne erover gesproken hoe die theorieën met elkaar in overeenstemming gebracht kunnen worden. Het heeft bijgedragen aan de mensvisie die aan mijn e-book ConcetricMan ten grondslag ligt.
 
Een andere excursie buiten het KNO-specialisme was het gevolg van een uitnodiging in 1987 van dr Spintge om deel te nemen aan een symposium over Schmerz und Sport in Lüdenscheid (Sauerland), waar een grote orthopedische Sportkliniek is gevestigd. In mijn bijdrage heb ik de positieve aspecten van pijn besproken en ook het manipulatieve gebruik en het effect van uitdrukking van pijn op de toeschouwers van een sport-evenement.




De Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (NJN)


Onmisbaar voor je opvoeding is dat je mensen leert kennen buiten de beslotenheid van gezin en school. Wat ik me daarvan herinner is de padvinderij, d.w.z. het welp zijn in een groep die zaterdags bijeen kwam op de Hoogt, een heuvel die toen nog buiten de bebouwde kom lag ten zuiden van Hilversum. We hadden een geweldige Akela, maar onze aktiviteiten verliepen volgens vaste regels en rituelen, en waren weinig afwisselend.
Heel goede herinneringen bewaar ik aan de NJN waar ik op 11 jarige leeftijd lid van ben geworden. De activiteiten tijdens excursies en op studieavonden waren vol afwisseling en deden een beroep op eigen creativiteit. Daarbij kwam dat de mensen met wie je omging uit heel verschillende lagen van de samenleving kwamen. Het gemeenschappelijke doel, bestuderen van de natuur, zorgde voor het groepsgevoel. Je had er specialisten op het gebied van vogels, bomen en struiken, paddestoelen, planten, grassen en mossen. Als je een tijdje meeliep werd er wel gevraagd waarin je je wilde specialiseren. Vogels was dan mijn antwoord, maar ik heb het er niet ver in gebracht.
Van de verschillende types waarmee je omging kan ik me herinneren dat er één was die zo grof gebekt was dat als hij in de verte kwam aanfietsen men al waarschuwde: daar komt A.L, en het eerste dat hij zeggen zal zijn een paar vloeken. En dat was dan ook zo. Verder waren er onder de excursieleiders een paar die ik later, toen ze hoogleraar waren in de biologie, weer heb ontmoet.
Hoogtepunten waren de zomerkampen. Ik heb er twee meegemaakt, een in Havelte en een op Texel. Daar leerde je bijzondere dingen zoals een mooi repertoire van liederen, in vier talen, gezongen zittend rond het kampvuur, en afgewisseld met  volksdansen, vaak begeleid door accordeon en gitaar. Dat was goed om verlegenheid te overwinnen, aan NJN kampen namen meisjes en jongens deel.  Eén van die liedjes:
 
Un canard, s'en allant au champ, quoin quoin quoin,
Disait á sa femme fidèle; quoin, quoin, quoin, quoin;
Et, dis moi oui, dis moi non, dis moi si tu m'aimes 
Dis moi oui, dis moi non, dis moi oui ou non ...
 
Deux canards, s'en allant au champ
Disaient a leurs femmes  fidèles  etc. etc.
 


Oud worden en oud zijn


Mijn vrouw (Tiete Damsté-Terpstra) en ik zijn in hoog tempo op weg naar de leeftijd van 90 jaar. Ik noem het hoge tempo, omdat de dagen en jaren steeds vlugger gaan. Dat ging eerst onopgemerkt. Op een keer hebben we omgekeken en met verwondering vastgesteld dat we nu wel oud waren. Het was niet eerder opgevallen omdat we allebei nog veel fietsen en autorijden, zelfstandig wonen en met weinig hulp toe kunnen.
Wel heeft onze ouderdom beperkingen en gebreken met zich mee gebracht. De meest beperkende is het steeds slechter kunnen horen. Bij mij is dat al vroeg begonnen (zie het item over de Luchtvaart). Sinds de jaren ‘70 gebruik ik hoortoestellen. Een geluk bij een ongeluk is geweest dat de kwaliteit van die apparaten is toegenomen in ongeveer gelijke mate als dat de kwaliteit van mijn gehoor is afgenomen. Daaraan is te danken dat het verstaan van spraak tot een paar jaar geleden nog mogelijk is geweest, tenminste onder akoestisch gunstige omstandigheden. Een beetje nagalm in een schaars gemeubileerde woonkamer was al funest, en als er in de kamer een ander gesprek tegelijk werd gevoerd was het eerste gesprek niet meer te verstaan. Het bijwonen van vergaderingen, toneel en lezingen is zinloos geworden omdat we maar een klein deel van het gesprokene kunnen verstaan.
Daarbij komt  sinds een paar jaar een abominabele verwoesting van het muzikale gehoor. Vanaf mijn eerste levensjaar ben ik voortdurend met muzikale klanken in de weer geweest. De aanleg daarvoor en de interesse erin is mij door beide ouders doorgegeven. Ik heb het dan ook als een zware handicap ervaren toen dat muzikale onderscheidingsvermogen verloren is gegaan. Het begon in de laatste jaren dat ik als bestuurslid van de Utrechtse Kunstkring actief was. De eerste violist van een optredend strijkkwartet werd door mij, volkomen ten onrechte naar later bleek, beschuldigd van valse intonatie: hoge tonen werden door hem te hoog gespeeld. Het heeft even geduurd voordat ik besefte dat het niet aan de speler maar aan mijn waarneming lag. Dat stelde ik vast toen gebleken was dat alle violisten op de e-snaar te hoog intoneerden. Het is daarna snel gegaan, samenspel van kleine en grote ensembles was weldra niet meer om aan te horen, muzikale harmonie werd door mijn verstoord gehoor verscheurd tot chaotische klankenbrei. Met het gehoor van mijn vrouw is het niet veel beter. Alle muziekinstrumenten zijn nu het huis uit en de radio en CD speler worden niet meer gebruikt. Het is het ergste verlies dat door het oud worden is veroorzaakt.

maandag 3 maart 2014

WAT IS IN EEN NAAM?


Als je de naam Damsté googlet, voorafgegaan door de voorletters P en H, komen mijn grootvader uit Utrecht, mijn oom uit De Bilt en ikzelf voorbij. Opa Damsté was hoogleraar latijnse taal- en letterkunde in Utrecht en is in 1943 overleden. Hij woonde aan de Bleyenburgstraat nr 5. 
In de jaren dertig woonden we in Hilversum, en hebben we hem geregeld bezocht.  De trein uit Hilversum stopte bij het station Biltstraat, een paar honderd meter lopen van Opa Damsté’s huis, heel handig. Ik vond die bezoeken vooral leuk als de nichten Goethart, Tineke en Rineke, er ook waren. Ze waren altijd opgewekt en maakten grapjes met hun jonge neefje. Opa is vooral bekend geworden door zijn successen in de studentenroeisport in Leiden en later door zijn promotie van de roeisport in Utrecht. Hij heeft enige boeken over dat onderwerp uitgegeven.

Mijn oom Piet, Mr P.H. Damsté, is secretaris van de gemeente De Bilt geweest. Hij heeft een grondige studie gemaakt van de geschiedenis van De Bilt en omgeving en heeft daarover vele artikelen en enige boeken gepubliceerd. Een kleine tentoonstelling daarvan is in de kelder van het gemeentehuis. Omdat mijn oom en opa met Piet werden aangesproken vonden mijn ouders het een goed idee om Helbert, mijn tweede voornaam, als roepnaam te gebruiken. Het heeft altijd verwarring veroorzaakt dat mijn voorletters in de verkeerde volgorde stonden.



Ook niet ver van het treinstation Biltstraat, in de J.W.Frisostraat, woonde Oma Wind-Meder. Zij was de weduwe van Prof dr Cornelis Harm Wind, over wie een biografie in Wikipedia te vinden is, en ook op de website www.sonnenborgh.nl, onder “Vrienden”: het prof C.H.Wind Fonds. Een iets uitvoeriger levensbericht staat op mijn website:   www.sites.google.com/site/concentricman. Hij was bevriend met de fysioloog/farmacoloog prof Rudolf Magnus. Diens weduwe heeft nog lang gewoond in het eerste flatgebouw van Utrecht, aan de Oudwijkerlaan, dichtbij de Wolter Heukelslaan. De twee weduwen hebben goed gezelschap aan elkaar gehad.

 

woensdag 5 februari 2014

VRIENDEN VAN MIJN OUDERS


 


Al in hun gymnasiumtijd in Utrecht waren mijn ouders een stel en ze zijn dat in hun studententijd en daarna gebleven. Sommige van hun vrienden uit die tijd heb ik later geregeld meegemaakt als ze bij ons in Assen of Hilversum langs kwamen. Eén van hen was Lo Spanjaard (oom Lo). Met hem had mijn vader op de sociëteit Minerva geïmproviseerde operettes opgevoerd, vader op de piano en Lo Spanjaard met een heldere en melodieuze tenorstem.
Als hij ons bezocht kwam hij voorrijden in de nieuwste convertible van Hispano Suiza of een ander sierlijk merk. Later in de jaren dertig, toen zijn financiële positie  afgezwakt was door de crisis, werden dat bescheidener merken. Vaak was er tijd om een ritje te maken en mochten wij kinderen mee. Eens, met mijn vader achter het stuur, waagde hij zich in het bos van Lage Vuursche, waar oom Lo een huisje had. De auto bleef steken in een modderpoel en moest door een boer met een span paarden losgetrokken worden.
 
Mijn ouders zijn ook bevriend gebleven met Jan en Annie Romein. Zij waren leeftijdsgenoten toen ze studeerden in Leiden. Met tevredenheid zagen ze terug op die episode waarin ze bemiddeld of tenminste aangemoedigd hadden dat Jan en Annie zich verloofden. In de bezettingstijd is Jan Romein een paar keer bij ons in Hilversum langsgekomen (hij hield zich in de buurt schuil). Omdat ik een eenvoudige kristalontvanger had waarmee ik nieuws uit Engeland kon ontvangen, moest ik altijd zorgen goed van de ontwikkelingen van de strijd in Noord Afrika op de hoogte te zijn om die aan hem te kunnen rapporteren. Ik voelde het gewicht van die verantwoordelijkheid.

Een vroege herinnering bewaar ik aan Ds van Holk. Hij kwam bij ons in Assen langs als hij een preek- of spreekbeurt had in het Noorden. Aan de maaltijd, met zijn zessen rond de tafel, sprak hij eens een oratorisch zo geacheveerde monoloog uit dat ik als naïeve 4-jarige
mijn mateloze bewondering niet kon onderdrukken, en uitriep: "Wat kan die mens mooi praten!"

1928 EN 1955: WEERZIEN NA 27 JAAR

1928 en 1955: Weerzien na 27 jaar


Van Bandung naar Den Haag en van daar naar Assen. Mijn  zussen gingen al naar de grote school en ik ging naar een kleuterklasje. Ik kan me daarvan niets herinneren, maar zoals ik later heb begrepen, was de jongste assistente-kleuterleidster ene Annie Bijl.
27 Jaar later werd ik opnieuw haar leerling: zij was intussen hoofd van de Logopedie-opleiding in Groningen en was in de Universiteitskliniek voor Keel-Neus-Oorziekten  als wetenschappelijk hoofdmedewerker aangesteld. Zij beoordeelde

de stem- en spraakpatiënten die door de polikliniek-artsen naar haar werden verwezen. Ook behandelde zij de patiënten die wegens keelkanker een laryngectomie hadden ondergaan. In die tijd geschiedde de stemrevalidatie van deze mensen door hun de slokdarmspraak aan te leren. Dat was nu juist het onderwerp van mijn promotie-onderzoek. Ik probeerde verband te leggen tussen het type operatie en de eventuele complicaties bij de wondgenezing. Er was me veel aan gelegen de eerste oefeningen bij te wonen wanneer een nieuwe patiënt bij mevrouw Annie Moolenaar-Bijl in behandeling kwam. Als ik haar verzocht daarbij aanwezig te mogen zijn was er altijd een reden waarom dat niet mogelijk of niet gewenst was. Zo heb ik tijdens mijn opleiding tot stem-en spraakarts nooit een logopedische behandeling mogen bijwonen, althans in de Groninger KNO-kliniek niet.

zondag 2 februari 2014

1988: Weerzien op lintjesdag

 



In de jaren dat ik me voorbereidde voor het artsexamen (1953)  werden wij nog niet onderwezen in de huisartsgeneeskunde. Toen ik mijn dienstplicht vervulde als officier van gezondheid bij de luchtmacht was ik er niet goed op voorbereid om als huisarts op te treden. Zoals die keer dat ik waarnam voor de basisarts van het vliegveld Soesterberg. Tijdens de rondgang in de locale ziekenbarak werd mijn gebrek aan ervaring meer dan voldoende opgevangen door de verpleger die me vergezelde. Bij iedere patiënt gaf hij een opsomming van de geschiedenis en de huidige situatie, waarmee hij mij de conclusie en het juiste oordeel in de mond legde.
Pas 35 Jaar later hebben we elkaar weer ontmoet, dit keer in een zaal van de universiteit  aan het Domplein. De rector magnificus ontving ons daar en speldde ons namens de koningin een onderscheidingsteken op. Het bleek dat mijn praktijkondersteuner van eertijds in Soesterberg na afloop van zijn dienstplicht voor het bestuur van de universiteit was gaan werken. Wat mij betreft had hij zijn lintje al in Soesterberg verdiend.


1928 en 1955: Weerzien na 27 jaar



Van Bandung naar Den Haag en van daar naar Assen. Mijn  zussen gingen al naar de grote school en ik ging naar een kleuterklasje. Ik kan me daarvan niets herinneren, maar zoals ik later heb begrepen, was de jongste assistente-kleuterleidster ene Annie Bijl.
27 Jaar later werd ik opnieuw haar leerling: zij was intussen hoofd van de Logopedie-opleiding in Groningen en was in de Universiteitskliniek voor Keel-Neus-Oorziekten  als wetenschappelijk hoofdmedewerker aangesteld. Zij beoordeelde de stem- en spraakpatiënten die door de polikliniek-artsen naar haar werden verwezen. Ook behandelde zij de patiënten die wegens keelkanker een laryngectomie hadden ondergaan. In die tijd geschiedde de stemrevalidatie van deze mensen door hun de slokdarmspraak aan te leren. En dat was nu juist het onderwerp van mijn promotie-onderzoek. Ik probeerde verband te leggen tussen het type operatie en de eventuele complicaties bij de wondgenezing. Er was me veel aan gelegen de eerste oefeningen bij te wonen wanneer een nieuwe patiënt bij mevrouw Annie Moolenaar-Bijl in behandeling kwam. Als ik haar verzocht daarbij aanwezig te mogen zijn was er altijd een reden waarom dat niet mogelijk of niet gewenst was. Zo heb ik tijdens mijn opleiding tot stem-en spraakarts nooit een logopedische behandeling mogen bijwonen, althans in de Groninger KNO-kliniek niet.